FAQ

Risicomodel

  • Modellering
    • Zijn de basisrisico’s voor elk van de gevaren die worden gebruikt in het model berekend per industrietak of beroep?
      Nee, de basisrisico’s op ernstig letsel zijn berekend op basis van blootstelling van iedereen ongeacht sector of beroep. Voor het berekenen van de risico’s op ernstig letsel tijdens het werken met verplaatsbare ladders is informatie gebruikt over ongevallen en blootstelling van iedereen in iedere sector en met ieder beroep onder de aanname dat een uur op een ladder even risicovol is onafhankelijk van sector of beroep. Deze aanname is getoetst en gevalideerd voor de hoofdindeling in sectoren.
    • Waarom wordt er om de leeftijd gevraagd door het model?
      Het model vraagt of een medewerker ouder dan 50 is. Tijdens de modellering bleek dat leeftijd in ieder geval van invloed is op de ernst van het letsel. De letsels bij ouderen zijn naar verhouding ernstiger dan bij jongeren. Het model houdt daar rekening mee. Leeftijd (of ervaring) kan ook van invloed zijn op de kans op een ongeval maar die relatie is niet in het model opgenomen.
    • Zijn er ook gezondheidsrisico’s opgenomen in het model?
      Nee, het model berekent alleen risico’s van situaties die direct tot lichamelijk letsel leiden. Zoals vallen of geraakt of getroffen worden door voorwerpen. De risico’s van langdurige blootstelling aan situaties die de gezond schaden zijn geen onderdeel van het huidige risicomodel.
  • Data en kwantificatie
    • Wat zijn de beperkingen van het model?
      De onderliggende data waarop het model is gestoeld is nog nooit eerder ontsloten zoals in ORCA. Daarmee wordt een schat aan niet eerder toegankelijke informatie aan de gebruikers ter beschikking gesteld. Dat gezegd hebbende, zelfs deze data heeft zijn beperkingen. De gebruikte ongevalsgegevens zijn geselecteerd uit de ongevalsdatabase van de Arbeidsinspectie. De selectie betreft de gemelde onderzochte meldingsplichtige ongevallen.

      Een deel van de beperkingen van het model komt voort uit deze selectie. Niet alle meldingsplichtige ongevallen in Nederland worden gemeld. We gaan er wel van uit dat alle dodelijke ongevallen worden gemeld. Dat betekent dat het model dus de risico’s voorspelt van gemelde meldingsplichtige ongevallen en niet van alle ongevallen.

      Een meldingsplichtig ongeval is een ongeval met ernstig letsel. Met ernstig wordt dodelijk letsel (overlijden tot binnen een jaar na het ongeval), permanent letsel en letsel met ziekenhuisopname binnen 24 uur en voor 24 uur bedoeld. Dat betekent dat een ongeval dat resulteert in een gebroken been en een bezoek in de polikliniek waarop het slachtoffer dezelfde dag naar huis wordt gestuurd en na 6 weken volledig is hersteld, geen meldingsplichtig ongeval is. Mede door deze door de Arbeidsinspectie gehanteerde afbakening voorspelt het risicomodel alleen de kansen op een ongeval met dodelijk, permanent en ernstig herstelbaar letsel. De kansen op ongevallen met minder ernstig letsel zijn niet bekend (hoewel die wel geschat zouden kunnen worden). Omdat de ongevallen vaak nog dezelfde dag worden onderzocht en eerder zijn afgerond dan de medewerker weer aan het werk is, is het verzuim ook niet op zo’n manier bekend dat het model daar uitspraken over kan doen.

      De meldingsplicht geldt alleen voor medewerkers in loondienst of voor zelfstandigen als deze onder gezag van anderen werken. Een zelfstandige onder eigen gezag werkend die een ongeval overkomt, hoeft dit ongeval niet te melden. Tevens geldt de meldingsplicht alleen voor ongevallen die plaatshebben op een ‘arbeidsplaats’ en daar valt in veel gevallen rijden op de openbare weg niet onder. Dat betekent dat verkeersongevallen tijdens woonwerk verkeer of tijdens het werk niet als arbeidsongeval worden beschouwd. Daardoor is het voor sommige beroepen, waarbij veel tijd rijdend op de openbare weg wordt doorgebracht, niet mogelijk een volledig risicoprofiel te bereken.

      Voor bepaalde sectoren geldt dat andere inspecties het onderzoek doen met hetzelfde effect: ontbrekende data en daardoor een onvolledig risicoprofiel. Het gaat dan om mensen die offshore werken (behalve onderzoekers), bemanning van schepen (behalve uitzendkrachten) en bemanning van vliegtuigen (voor de tijd dat ze aan boord zijn).


WebORCA

  • Blootstelling
    • Ons werk is helemaal niet te beschrijven in periodiek terugkerende activiteiten van een gelijke duur en omstandigheden. Hebben we dan nog iets aan WebORCA?
      Dat ligt aan het doel. Als het werk geen voorspelbaar karakter heeft (omdat de locatie elke keer wisselt en/of het steeds andere projecten betreft) maar steeds onder wisselende omstandigheden wordt uitgevoerd of steeds wisselende activiteiten betreft heeft het geen zin om het risico voor een jaar te voorspellen omdat de invoer niet bekend is. Voorafgaand aan elke klus of gegeven een hypothetische klus kan wel een soort risicobegroting worden gemaakt voor de activiteit.
    • Wanneer staat iemand wel of niet bloot aan een risicovolle situatie?
      De gebruiker moet met twee zaken rekening houden als wordt gevraagd aan welke van de ge-varen of risicovolle situaties een persoon bloot kan staan bij het uitvoeren van een activiteit.

      Ten eerste en dat kan niet genoeg onderstreept worden, wordt de gebruiker niet gevraagd zelf een risico in te schatten. “Tijdens deze activiteit wordt er drie uur op het dak gewerkt maar overal is randbeveiliging dus dat hoeft niet te worden ingevoerd”.

      Gevraagd wordt puur en alleen naar de tijd dat er een bepaald ongeval zou kunnen gebeuren, hoe onwaarschijnlijk dat de gebruiker ook lijkt. Als de kans inderdaad klein is dat rekent het risicomodel dat wel uit op basis van de blootstelling, de werkomstandigheden en de basisrisico’s. Dat is een meerwaarde van het model. In tegenstelling tot veel kwalitatieve risicomodellen die de gebruiker vragen om zelf inschattingen te geven over risico en letsel om zo tot een selectie van gevaren te komen waarvoor men beducht moet zijn, berekent ORCA voor elke gevaar, elke activiteit, elke functie de kansen (klein of groot) op een ernstig letsel.

      Daarmee komen we bij het tweede punt. De basisrisico’s waarmee het model rekent, zijn mede gebaseerd op de blootstelling aan bepaalde situaties in Nederland die zijn verzameld met een Internetenquête. Methodisch is het dus van belang dat de gebruiker dezelfde definities hanteert als in dit onderzoek. Deze definities zijn in WebORCA opgenomen en het is belangrijk om deze bij het bepalen van de blootstelling goed door te nemen en te toetsen welke situatie het meest van toepassing is (daarom staat in de toelichting ook vaak wat niet wordt verstaan onder een bepaalde situatie).
    • Hoe weet ik nu of iemand anders of een groep bovenmatige kracht gebruikt en zich overtilt of kan overtillen?
      Dat is inderdaad een lastige inschatting omdat er niet wordt gevraagd naar een bepaalde externe norm; bijvoorbeeld of er lasten van meer dan 25kg puur handmatig worden getild of verplaatst. Er wordt gevraagd naar de mogelijkheid dat een persoon a) meer kracht gebruikt dan nodig is (waardoor voorwerpen los- of wegschieten) of b) niet de kracht heeft die nodig is (iets is te zwaar of wordt te zwaar) en vooral dat laatste kan per individu verschillen.
    • Waarom wordt er nog gevraagd naar het gevaar van het rijden met een voertuig? Ongevallen op de openbare weg maken toch geen deel uit van de data waarmee het risicomodel rekent?
      Dat laatste klopt maar voor een paar activiteiten zijn er uitzonderingen en daarnaast gaat het hierbij vooral om situaties die zich op de arbeidsplaats voor doen. Een belangrijke uitzondering is bijvoorbeeld de situatie waarin personen zich bevinden op de openbare weg als passagier op een voertuig voor het uitvoeren van hun werk, zoals vuilnismannen die achterop de vuilniswagen plaatsnemen of wegwerkers die vanuit de laadbak pionnen plaatsten voor een wegafzetting. Een arbeidsplaats is meestal het terrein waar een bedrijf gevestigd is en dan moet bij deze risicovolle situatie gedacht worden aan heftrucks in magazijnen of vrachtwagens bij het laden en lossen maar een arbeidsplaats kan ook een locatie buiten zijn. Denk aan het gebruiken van een hoogwerker om bijvoorbeeld bomen te snoeien.
    • Valt extreem hoge omgevingstemperatuur onder het gevaar extreme hete en koude oppervlakten?
      Ja, mits die hoge omgevingstemperatuur het gevolg is van straling of convectie van een heet oppervlak zoals de hitte van smeltovens of hete lucht die wordt afgevoerd of toegevoegd voor een droogproces. Het opgesloten raken in een vriescel valt onder het gevaar ‘besloten ruimte’.
    • Ik wil een risicovolle situatie meer dan een keer opnemen in een activiteit , kan dat?
      Dat kan niet en dat is jammer want het kan natuurlijk zijn dat persoon in een activiteit bloot staat aan het gevaar te worden aangereden door een vrachtwagen en een trein. Qua ongevalsmechanisme hetzelfde gevaar maar wellicht met andere werkomstandigheden en blootstellingsduur. Dat kan een gebruiker nu niet aangeven. Aangezien gegeven de aannamen van de risicoberekening activiteiten elkaar in de tijd niet mogen overlappen is de enige mogelijkheid om een degelijke situatie te modelleren een extra functieomschrijving te maken waarin alleen dit extra gevaar wordt opgenomen.
    • Wat is het Gemiddeld betrouwbaarheidsniveau? Hoe weet ik hoe de kwaliteit van de werkomstandigheden zich daartoe verhoudt.
      De Betrouwbaarheidsniveaus waaruit kan worden gekozen, zijn gerelateerd aan de in Nederland gemeten kwaliteit van de werkomstandigheden. Dat wil zeggen dat als gekozen wordt voor het niveau Gemiddeld, de aan een aspect gekoppelde werkomstandigheden een waarde krijgen gelijk aan de gemiddelde waarde over alle respondenten die in de Internetenquête over de kwaliteit van die werkomstandigheid hebben gerapporteerd. Die kwaliteit is uitgedrukt als dat deel van de blootstellingstijd aan het gevaar dat een werkomstandigheid in staat is om de kans op een ongeval te verminderen (of beter: om een barrière te versterken). Om de kwaliteit van de stabiele plaatsing van een ladder te bepalen is bijvoorbeeld aan de respondenten gevraagd naar de regelmatige vervanging van antislipvoetjes van de poten van de ladder en naar de hoek waaronder de ladder is neergezet. Zo bleek dat in gemiddeld 14% van de tijd dat mensen mobiele ladders gebruiken voor hun werk deze versleten antislipvoetjes hadden en dat in 16% van de tijd de ladder in een hoek ten opzichte van de muur stond waardoor de ladder kon gaan schuiven. Als dus voor Gemiddeld wordt gekozen zijn dit dus waarden waarmee het model gaat rekenen.

      De verdeling van de gerapporteerde kwaliteit is bij nagenoeg alle werkomstandigheden waarnaar is gevraagd scheef. Bij een normale verdeling zijn er ongeveer evenveel respondenten die boven het gemiddelde als onder het gemiddelde zitten. In dit geval bleek ongeveer 70% van de respondenten beter te scoren dan het gemiddelde. Dat betekent eigenlijk dat in Nederland voor iedere barrière geldt dat voor een grote groep de kwaliteit wat beter is dan gemiddeld en voor een kleine groep de kwaliteit behoorlijk slechter is dan gemiddeld. Het is overigens niet zo dat die kleine groep altijd dezelfde samenstelling heeft.